
Je leert in de eerste klas eerst de zeven meest voorkomende ruimtelijke figuren. Omdat deze allemaal door elkaar komen is het soms erg lastig om ze te onderscheiden. Daarom worden ze hier stuk voor stuk behandeld met alle kenmerken van het figuur erbij. Maar eerst een paar algemene begrippen die bij bijna elk figuur terugkomen:
Grondvlak, het vlak wat meestal op de bodem ligt.
Rib(ben), een recht lijnstuk wat 2 punten van een ruimtelijk figuur met elkaar verbind.
Hoekpunt, een punt waarbij verschillende ribben weer samenkomen.
Nu de lijst met de verschillende ruimtelijke figuren met kenmerken:

De meest voorkomende is de kubus. Deze kan je aan de volgende dingen herkennen:
- Een kubus heeft 6 vlakken; boven, onder en aan elk van de 4 zijkanten 1. Het vlak wat onderop ligt wordt het grondvlak genoemd.
- Een kubus heeft 12 ribben; aan de bovenkant 4, aan de onderkant 4, en 4 om de bovenkant en onderkant met elkaar te verbinden.
- Een kubus heeft 8 hoekpunten.
- Alle 6 vlakken van een kubus zijn vierkant

Een figuur dat erg veel op de kubus lijkt, is de balk. Deze kan je aan de volgende dingen herkennen:
- Een balk heeft ook 6 vlakken; boven, onder en aan elk van de 4 zijkanten 1. Het vlak wat onderop ligt wordt het grondvlak genoemd.
- Een balk heeft ook 12 ribben; aan de bovenkant 4, aan de onderkant 4, en 4 om de bovenkant en onderkant met elkaar te verbinden.
- Een balk heeft ook 8 hoekpunten.
- Alle vlakken van een balk zijn rechthoekig (maar vierkant kan ook).
Opmerking: Een kubus is eigenlijk ook een balk, maar een balk kan nooit een kubus zijn indien het omgekeerde niet geldt.

Een ander veel voorkomend ruimtelijk figuur is de piramide. Deze kan je aan de volgende dingen herkennen:
- Een piramide heeft als grondvlak op de bodem altijd een veelhoek
- Op de veelhoek op de bodem na, bestaat de piramide alleen maar uit driehoeken.
- De driehoeken komen samen in de top.
- De top van een piramide bevindt zich altijd recht boven het midden van het grondvlak.
Opmerking: Het aantal hoeken van het grondvlak van een piramide varieert. Het hoeft dus niet altijd een vierkant te zijn.

Het volgende figuur is de cilinder. De kenmerken:
- Een cilinder heeft boven en onder een cirkel, die allebei grondvlak kunnen zijn.
- De rest van de cilinder bestaat uit een rond vlak met overal een gelijke breedte.

Een ander figuur wat eigenlijk een soort combinatie is van de piramide en de cilinder, is de kegel. De kenmerken:
- Een kegel heeft aan de onderkant een cirkel als grondvlak.
- De rest van de kegel bestaat uit een rond vlak, dat bovenin in een punt samenkomt.
- Het bovenste punt ligt recht boven het middelpunt van de cirkel.

Een vaak voorkomend figuur is de bol. De kenmerken:
- Een bol is rond aan alle kanten
- De breedte, lengte en hoogte zijn altijd gelijk.

De lastigste van allemaal is de prisma. Dit figuur kom je bijvoorbeeld tegen in een huis. Alle kenmerken van een prisma op een rijtje:
- De bovenkant en onderkant van een prisma hebben dezelfde vorm, dit kunnen allebei grondvlakken zijn.
- Alle zijkanten van een prisma hebben de vorm van een rechthoek.
- De boven- en onderkant van een prisma hebben de vorm van een veelhoek.
Opmerking: Als je een vierkant als grondvlak neemt, heeft de prisma dezelfde vorm als een balk.
Ga naar de pagina met reacties bij dit artikel om meningen van anderen te bekijken en zelf je mening te geven over dit artikel.